Woordenboek
Op Alles over hondenrassen kom je vaak woorden tegen die je wellicht nog niet kende en nooit ergens anders hebt gehoord of gelezen.
Op Alles over hondenrassen kom je vaak woorden tegen die je wellicht nog niet kende en nooit ergens anders hebt gehoord of gelezen. Dat is goed mogelijk. Op deze pagina een beknopte uitleg over de betekenis van bepaalde woorden. Heb je alsnog vragen? Neem dan gerust contact met ons op!
Advertentie
Adverteer in ons woordenboek
€ 50/mnd
Aalstreep
Een donkere gekleurde haarstreep van schoft tot staartaanzet.
Aftekening
Bruine, grijze, zwarte of andersgekleurde vlekken of platen aan het hoofd en op het lichaam.
Agressie
De neiging van een hond om aan te vallen of te bijten. Agressie kan verschillende vormen hebben, zoals angstagressie, dominantieagressie of territoriumagressie, en wordt in de fokkerij en het karakter beoordeeld.
Albino
Ontbreken van kleurstof (pigment). Bij de typische albino ontbreekt het pigment ook in het netvlies en het regenboogvlies van het oog en zijn neusspiegel en lippen rose.
Allure
De totaalindruk van beweging en uitstraling van een hond in de ring. Het gemak en de elegantie waarmee hij zich voortbeweegt.
Alpha dier
Het in rang hoogste dier in een roedel.
Angulatie
De hoekvorming in de voor- en achterbouw van de hond, bepaald door de hoeken tussen de botten van schouder, elleboog, heup en knie.
Apporteren
Het aanbrengen van een weggelegd of weggeworpen voorwerp. Bij de jacht het brengen van wild.
Barlip
Gespleten bovenlip, een erfelijk gebrek waarbij de bovenlip niet volledig is gesloten.
Bastaard
Hond van onzuiver ras.
Beenwerk
Verzamelnaam voor de bouw en stevigheid van de ledematen, beoordeeld op rechtheid, botstructuur en spierontwikkeling.
Behang
Lang afhangend oor. Uitdrukking uit jagerskringen.
Belijning
Het silhouet van een hond. Bij de beoordeling worden vaak hals-schoft-ruglijn en de borst-buiklijn bekeken.
Biscuit
Lichtgele tot crèmekleurige haarkleur, voorkomend bij rassen als de Beagle en bepaalde spaniëls.
Blauw oog
Volledig lichtblauwe of witte iris door gebrek aan pigment. Een rasgebonden fout bij sommige rassen, standaard bij andere zoals de Siberische Husky.
Bles
Brede witte streep van de achterhoofdsknobbel tot de neus. Ogen liggen in gekleurde platen evenals de oren.
Bloedlijn
De afstammingslijn van een hond, teruggaand op bekende voorouders. Bloedlijnen worden gebruikt in de fokkerij om gewenste eigenschappen te versterken of erfelijke aandoeningen te vermijden.
Blue Merle
De ondergrond is grijs (zwart en witte haren in gemengde samenstelling) en deze ondergrond is bezaaid met zwarte platen en vlekken. Dit kleurpatroon komt bijvoorbeeld bij de Collie, Sheltie en de Corgi voor.
Borstbeen
Het voorste, onderste deel van de ribkast dat de diepte van de borst mede bepaalt.
Bovenlijn
De contourlijn van de rug gezien van opzij, van de schoft tot aan de staartaanzet. Moet bij de meeste rassen recht of licht gewelfd zijn.
Brachycefaal
Kortschedeldig. Een bouwtype waarbij de schedel breed en kort is en de neus sterk ingedrukt, zoals bij de Mopshond en Bulldog.
Brand
Rood tot roestbruine aftekening in een zwarte hond.
Buitenboogse beweging
Gangafwijking waarbij de voorpoten naar buiten zwaaien vanuit de elleboog in plaats van recht vooruit te bewegen.
Buitenstand
Standfout waarbij de voeten naar buiten zijn gedraaid. Bij de meeste rassen ongewenst.
Catalogusnummer
Het aan een hond toegewezen nummer in de tentoonstellingscatalogus waaronder hij in de ring verschijnt.
Couperen
Het chirurgisch verkorten van staart of oren. Oorcouperen is in Nederland verboden sinds 1996, staartcouperen sinds 2001.
Degeneratie
Erfelijke achteruitgang van lichamelijke en karaktereigenschappen binnen een ras, als gevolg van langdurige inteelt of onverantwoorde kruisingen.
Dekreu
Een reu die officieel ingezet wordt voor de fokkerij en doorgaans is ingeschreven in een fokregister.
Diagonaalgang
De normale trotbeweging waarbij diagonaal geplaatste poten (linksachter-rechtsvoor) gelijktijdig optrekken.
Diepe borst
Een borst die ver naar beneden reikt, minimaal tot aan de ellebogen. Kenmerk van rassen met groot longvolume zoals de Greyhound en Dobermann.
Domesticatie
Het proces waarbij wilde dieren over generaties heen worden getemd en aangepast aan het leven bij de mens. Bij de hond begon dit proces tienduizenden jaren geleden vanuit de wolf.
Doublure
De combinatie van bovenvacht en ondervacht. De dubbele vacht die isolatie en bescherming biedt, kenmerkend voor noordse en hoedrassen.
Down liggen
Bij de africhting op een bepaalde plek gaan liggen en daar blijven liggen. De hond mag de plaats slechts verlaten op uitdrukkelijk bevel.
Draadhaar
Stug, gebroken vachttype met hard, draadachtig dekhaar en zachte ondervacht. Kenmerkend voor rassen als de Wire Fox Terriër en de Teckel (draadhaar).
Droge hals
Een hals zonder losse huid of keelhuid, strak bespannen. Gewenst bij veel werkhondenrassen.
Drooghoofdig
Kenmerk van een hoofd zonder losse huid, rimpels of keelhuid. Strak en goed aansluitend bij de schedel.
Dwerggroei
Een erfelijke aandoening waarbij de lange beenderen niet normaal uitgroeien, zoals genetisch vastgelegd bij rassen als de Teckel en Basset Hound.
Ectropion
Een open oog. Het uitzakken van het onderste ooglid. Komt veel voor bij zwaarledige rassen.
Elleboogstand
De positie van de ellebogen ten opzichte van de romp. Ellebogen dienen recht naast de borst te liggen, niet naar buiten (los) of naar binnen (gekruist) te staan.
Entropion
Het naar binnen krullen van één of beide oogleden. Deze afwijking wordt als erfelijk beschouwd.
Fokverbod
Officiële maatregel van de Raad van Beheer of een rasvereniging waarbij een hond uitgesloten wordt van de fokkerij vanwege erfelijke gebreken.
Franje
De lange haren aan de oren, zoals bijvoorbeeld bij de Cockers.
Gait
Engelse term gangbaar in de Nederlandse kynologie voor de bewegingswijze van de hond. Omvat stap, draf en galop.
Gebitsformule
De beschrijving van het aantal en type tanden (snijtanden, hoektanden, premolaren, molaren) conform de tandformule van het ras.
Gestroomd
Een effen grondkleur met regelmatige rijen van donkere (bijna zwarte of geheel zwarte) haren. Bij verwaterde stroming is de tekening onvoldoende scherp begrensd.
Getijgerd
Brindle-tekening waarbij donkere strepen op een lichtere grondkleur voorkomen, vergelijkbaar met tijgerstrepen. Dit vachtpatroon komt voor bij Teckels en andere rassen. Niet te verwarren met dapple (merle), dat een heel ander vlekkenpatroon is.
Grauwe staar
Vertroebeling van de ooglenzen.
Groene staar
Verhoging van de oogdruk.
Grondkleur
De basiskleur van de vacht waarop aftekeningen of patronen zichtbaar zijn.
Haarwervels
Wervels in de vacht waarbij het haar in een cirkelpatroon groeit. Bij sommige rassen rasgebonden, bij andere een fout.
Halsaanzet
De plek waar de hals overgaat in de romp en de schoft. Een vloeiende halsaanzet is bij de meeste rassen gewenst.
Hazenvoet
Een langwerpige, smalle voet met gesloten, gewelfde tenen. Kenmerkend voor windhonden, in tegenstelling tot de kattenvoet.
Heupdysplasie
Een erfelijke aandoening waarbij de heupkop niet goed in de heupkom past, waardoor slijtage, pijn en kreupelheid ontstaan. Een van de meest voorkomende erfelijke aandoeningen bij middelgrote en grote honden. Wordt opgespoord via röntgenfoto's en beoordeeld op een internationale schaal (A t/m E).
Hubertusklauw
Soms voorkomende vijfde teen aan de achtervoeten.
Inteelt
Paring van verwanten zoals broer en zuster, vader met dochter en moeder met zoon.
Karakter
Eigenschappen die de individuen van een ras gemeen hebben. Het zijn temperament, leergierigheid, moed, uithoudingsvermogen, bijzondere aanhankelijkheid, enz.
Karperrug
Een sterk gewelfde rug, die meestal als fout wordt beoordeeld.
Kattenvoet
Ronde, compacte voet met dicht op elkaar staande, gewelfde tenen. Gewenst bij trek- en werkhonden voor uithoudingsvermogen.
Keelhuid
Losse huidplooien in de keelstreek.
Keurmeester
Bevoegd persoon om een ras te keuren.
Knopoor
Een hoog aangezet driehoekig oor, dat zo naar beneden valt dat de gehooringang is afgesloten.
Korthaar
Zeer kort glad aanliggend dekhaar, zonder of met weinig wol.
Kroeshaar
Het haar is gedraaid, zodat bij langere haren vervilting ontstaat. Zoals bij de Poedel.
Kruising
Paring van honden van twee verschillende rassen. Het resultaat wordt een kruising of bastaard genoemd. Kruisingen worden soms bewust ingezet om eigenschappen van twee rassen te combineren, zoals bij de Labradoodle.
Kryptorchisme
Het ontbreken van beide testikels in de balzak.
Kwalificatie
De officiële beoordeling die een hond op een tentoonstelling ontvangt: Uitmuntend, Zeer Goed, Goed, Voldoende of Onvoldoende. Alleen honden met de kwalificatie 'Uitmuntend' komen in aanmerking voor een kampioenstitel.
L.O.S.H.
Livre d'Origine de St. Hubert (Belgisch hondenstamboek).
Langhaar
Zacht, lang dekhaar met een goede ondervacht, zonder onderwol of dun en zijdig.
Lefzen
De afhangende lippen van de bovenkaak. Ze worden flink genoemd wanneer ze zoals bij de Boxer diep afhangen en droog, wanneer zij zoals bij de Bull Terriër vast aanliggen.
Letaalfactor
Een erfelijkheidsfactor die bij homozygoot voorkomen de dood van de nakomeling veroorzaakt. Subletale factoren kunnen zware misvormingen tot gevolg hebben.
Leverkleur
Een warm chocoladebruin pigment in vacht en neus, het gevolg van een recessieve genvariant die zwart pigment vervangt.
Lynxoog
Lichtgele tot bijna witte oogkleur. Bij de meeste rassen een fout, maar bij de Weimaraner een karakteristiek kenmerk.
Mantelkleur
Een donkere, sadelachtige kleurafzetting over de rug en schouders tegen een lichtere basiskleur, zoals bij de Duitse Herder.
Masker
Scherp afgetekende donkere vlek in het gezicht.
Middelhand
Het deel van de voorpoot tussen de carpaalbeenderen (pols) en de teenbeenderen. De hellingshoek bepaalt mede de veerkracht van de beweging.
Mond
Jachthondterm voor de eigenschap om geschoten wild zacht op te pakken en terug te brengen zonder het te drukken of te beschadigen. Een hond met een goede mond levert zijn prooi onbeschadigd af bij de jager.
Monorchisme
Het aangeboren ontbreken van één der testikels, oftewel éénzijdig kryptorchisme.
N.H.S.B.
Nederlands Honden Stamboek.
Neklijn
De overgang en contourlijn van de schedel naar de hals en van de hals naar de schoft. Beoordeeld op lengte, aanzet en elegantie.
Neusspiegel
Onbehaarde voorzijde van de neus, waarin de neusgaten liggen.
Ondervacht
De hond heeft over het algemeen een dubbele vacht. Het onderhaar is meestal wollig, dicht ingeplant, vettig en zacht.
Ondervoorbijten
De tanden van de onderkaak steken voor die van de bovenkaak uit.
Ooraanzet
De plek op de schedel waar de oren zijn ingeplant. Kan hoog, laag of zijdelings geplaatst zijn, afhankelijk van de rasstandaard.
Opgetrokken buik
Een buiklijn die sterk naar boven oploopt van de borst richting de liezen. Kenmerkend voor slanke, atletische rassen zoals de Windhond en Dobermann. Een te sterk opgetrokken buik kan ook wijzen op ondergewicht.
Otterstaart
Rolronde dicht en zeer vast behaarde middellange staart. Bij het lichaam breed en in een punt eindigend.
Overbouwd
Kruis ligt hoger dan de schoft.
Pareloog
Een gedeeltelijk of volledig blauw-wit oog door gebrek aan pigment in de iris. Bij bepaalde merle-gekleurde rassen aanwezig.
Pasgang
Een looppatroon waarbij de ledematen aan dezelfde lichaamshelft gelijktijdig bewegen. Bij honden een teken van vermoeidheid of slechte angulatie.
Pigment
De kleurstof die verantwoordelijk is voor de kleur van vacht, huid, neus, ogen en slijmvliezen. Voldoende pigmentatie in neus, lippen en oogleden is bij de meeste rassen vereist in de rasstandaard. Ontbreekt dit, dan spreekt men van een vleesneus of bleke neus.
Raad van beheer
Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland.
Reu
Hond van het mannelijk geslacht.
Ribbewelving
De mate van ronding van de ribben. Te platte (slab-sided) of te tonvormige ribben zijn beide rasfouten.
Ring
Afgebakende ruimte op een tentoonstelling waarin de honden worden gekeurd.
Romp
Het centrale deel van het lichaam tussen voor- en achterhand, bestaande uit borst, buik, rug en lendenen.
Romplengte
De afstand van de voorzijde van de borst (prosternum) tot aan de achterzijde van de billen. De verhouding tot de schofthoogte bepaalt het lichaamsformaat.
Rozenoor
Naar achter gevouwen oor. Zoals bij de Engelse Bulldog, Greyhound en Whippet.
Ruwhaar
Hard en ruw aanvoelend, kort of middellang dekhaar dat naar verschillende kanten staat.
Schaargebit
De snijtanden van de bovenkaak zijn iets voor die van de onderkaak geplaatst en hebben daardoor een snijdende werking.
Schedelgroef
De lengtegleuf of -groeve over de bovenkant van de schedel. Bij sommige rassen een rasgebonden kenmerk.
Scherpte
Een in het karakter verankerde agressiviteit die een hond alert en aanvalsbereid maakt. Scherpte is gewenst bij bepaalde waak- en diensthonden, maar moet altijd gepaard gaan met gehoorzaamheid en beheersbaarheid.
Schoft
Wordt gevormd door de doornuitsteeksels van de wervels die tussen de schouderbladen liggen.
Schofthoogte
Afstand van het hoogste punt van de schoft tot de bodem.
Snipey
Engelse term voor een te spitse snuit.
Staand oor
Rechtopstaand oor dat niet afhangend of gevouwen is. Bij sommige rassen, zoals de Duitse Herdershond, staan de oren pas volledig rechtop nadat de pup circa zes maanden oud is.
Standaard
Opsomming van alle kenmerken van een ras.
Stokhaar
Het oorspronkelijke haar dat uit dichte ondervacht met middellange dekharen bestaat zoals bij de Duitse Herdershond.
Stop
Overgang van de schedel naar voorsnuit.
Strain
Engelse benaming voor stam (bloedlijn).
Tan
Geel tot roestbruine kleur.
Tanggebit
De snijtanden vallen precies op elkaar.
Teef
Hond van het vrouwelijk geslacht.
Tulpoor
De staande en aan de tippen afgeronde oren.
Vachtstructuur
De algehele bouw en textuur van de vacht, inclusief over- en ondervacht, haarlengte en -hardheid. Een essentieel onderdeel van de rasstandaard.
Vang
Voorsnuit, term die vooral wordt gebruikt bij de jachthonden.
Vieräugler
Honden met een lichte vlek boven ieder oog.
Vleermuisoor
Grote, straffe, hoog opgerichte oorlap met afgeronde punt.
Vleesneus
Een neus met roze of vleesgekleurd pigment in plaats van het voor het ras vereiste zwart of donker. Bij de meeste rassen een fout.
Voorboogse beweging
Gangafwijking waarbij de voorpoten naar buiten zwaaien. Wijst op losse ellebogen of brede borst.
Wangbeenderen
De beenderen aan de zijkanten van de schedel. Hun breedte en prominentie bepalen mede het rastype van de kop.
Werkbereidheid
De intrinsieke motivatie van een werkhond om taken uit te voeren. Beoordeeld bij aanlegproeven en selectietests.