Op Alles over hondenrassen kom je vaak woorden tegen die je wellicht nog niet kende en nooit ergens anders hebt gehoord of gelezen. Dat is goed mogelijk. Op deze pagina een beknopte uitleg over de betekenis van bepaalde woorden. Heb je alsnog vragen? Neem dan gerust contact met ons op!

Aalstreep: Een donkere gekleurde haarstreep van schoft tot staartaanzet.
Aftekening: Bruine, grijze, zwarte of andersgekleurde vlekken of platen aan het hoofd en op het lichaam.
Agressie: Een vrije vertaling voor de lust tot aanvallen
Albino: Ontbreken van kleurstof (pigment). Bij de typische albino ontbreekt het pigment ook in het netvlies en het regenboogvlies van het oog en zijn neusspiegel en lippen rose.
Alpha dier: Het in rang hoogste dier in een roedel.
Apporteren: Het aanbrengen van een weggelegd of weggeworpen voorwerp. Bij de jacht het brengen van wild.

Bastaard: Hond van onzuiver ras.
Behang: Lang afhangend oor. Uitdrukking uit jagerskringen.
Belijning: Het silhouet van een hond. Bij de beoordeling worden vaak hals-schoft-ruglijn en de borst-buiklijn bekeken.
Bles: Brede witte streep van de achterhoofdsknobbel tot de neus. Ogen liggen in gekleurde platen evenals de oren.
Bloedlijn: Afstamming
Blue Merle: De ondergrond is grijs (zwart en witte haren in gemengde samenstelling) en deze ondergrond is bezaaid met zwarte platen en vlekken. Dit kleurpatroon komt bijvoorbeeld bij de Collie, Sheltie en de Corgi voor.
Brand: Rood tot roestbruine aftekening in een zwarte hond.

Degeneratie: Lichamelijke en karakter erfelijke verslechteringen van een ras, door gevolg van inteelt of kruisingen.
Domesticatie: Overgang van wilde dieren tot huisdieren.
Down liggen: Bij de africhting op een bepaalde plek gaan liggen en daar blijven liggen. De hond mag de plaats slecht verlaten op uitdrukkelijk bevel.
Draadhaar: Kort had stokhaar zoals bij Fox Terriërs.

Ectropion: Een open oog. Het uitzakken van het onderste ooglid. Komt veel voor bij zwaarledige rassen.
Entropion: Het naar binnen krullen van één of beide oogleden. Deze afwijking wordt als erfelijk beschouwd.

Franje: De lange haren aan de oren, zoals bijvoorbeeld bij de Cockers.

Gestroomd: Een effen grondkleur met regelmatige rijen van donkere (bijna zwarte of geheel zwarte) haren. Bij verwaterde stroming is de tekening onvoldoende scherp begrensd.
Getijgerd: Het schimmelpatroon bij Dashonden.
Grauwe staar: Vertroebeling van de ooglenzen.
Groene staar: Ook Glaucoom genoemd. Verhoging van de oogdruk.

Heupdysplasie: Misvorming van het heupgewricht.
Hubertusklauw: Soms voorkomende vijfde teen aan de achtervoeten.

Inteelt: Paring van verwanten zoals broer en zuster, vader met dochter en moeder met zoon.

Karakter: Eigenschappen die de individuen van een ras gemeen hebben. Het zijn temperament, leergierigheid, moed, uithoudingsvermogen, bijzondere aanhankelijkheid, enz….
Karperrug: Een sterk gewelfde rug, die meestal als fout wordt beoordeeld.
Keelhuid: Losse huidplooien in de keelstreek. Ook wel wammen genoemd.
Keurmeester: Bevoegd persoon om een ras te keuren.
Knopoor: Een hoog aangezet driehoekig oor, dat zo naar beneden valt dat de gehooringang is afgesloten.
Korthaar: Ook wel gladhaar genoemd. Zeer kort glad aanliggend dekhaar, zonder of met weinig wol.
Kroeshaar: Het haar is gedraaid, zodat bij langere haren vervilting ontstaat. Zoals bij de Poedel.
Kruising: Paring van honden van hetzelfde ras, die niet met elkaar verwant zijn.
Kryptorchisme: Het ontbreken van beide testikels in de balzak.
Kwalificatie: Beoordeling van de honden op een tentoonstelling: ‘Uitmuntent’, ‘Zeer goed’, ‘Matig’. Deze worden toegekend op basis van de standaardeisen.

Langhaar: Zacht, lang dekhaar met een goede ondervacht, zonder onderwol of dun en zijdig.
Lefzen: De afhangende lippen van de bovenkaak. Ze worden flink genoemd wanneer ze zoals bij de Boxer diep afhangen en droog, wanneer zij zoals bij de Bull Terriër vast aanliggen.
Letaalfactor: Een erfelijkheidsfactor die tot zware misvormingen kan leiden.
L.O.S.H.: Livre d’Origine de St. Hubert (Belgisch hondenstamboek).

Masker: Scherp afgetekend donkere vlek in het gezicht.
Mond: Het zacht aanpakken van levend of dood wild zonder dit te drukken of te beschadigen.
Monorchisme: Het aangeboren ontbreken van één der testikels, oftewel éénzijdig kryptorchisme.

Neusspiegel: Onbehaarde voorzijde van de neus, waarin de neusgaten liggen.
N.H.S.B.: Nederlands Honden Stamboek.

Ondervacht: De hond heeft over het algemeen een dubbele vacht. Het onderhaar is meestal wollig, dicht ingeplant, vettig en zacht.
Ondervoorbijten: De tanden van de onderkaak steken voor die van de bovenkaak uit.
Opgetrokken buik: Te snel oplopen van de onderbelijning.
Otterstaart: Rolronde dicht en zeer vast behaarde middellange staart. Bij het lichaam breed en in een punt eindigend.
Overbouwd: Kruis ligt hoger dan de schoft.

Pigment: Zwarte randen aan neus, lippen en oogleden.

Reu: Hond van het mannelijk geslacht.
Ring: Afgebakende ruimte op een tentoonstelling waarin de honden worden gekeurd.
Rozenoor: Naar achter gevouwen oor. Zoals bij de Engelse Bulldog, Greyhound en Whippet.
Ruwhaar: Hard en ruw aanvoelend, kort of middellang dekhaar dat naar verschillende kanten staat.
Raad van beheer: Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland

Schaargebit: De snijtanden van de bovenkaak zij iets voor die van de onderkaak geplaatst en hebben daardoor een snijdende werking.
Scherpte: Een in het karakter verankerde aanwezige agressiviteit.
Schoft: Wordt gevormd door de doornuitsteeksels van de wervels die tussen de schouderbladen liggen.
Schofthoogte: Afstand van het hoogste punt van de schoft tot de bodem.
Snipey: Engelse term voor een te spitse snuit.
Staand oor: Rechtopstaand oor. Een staand oor heeft dikwijls 6 maanden nodig voor het goed staat.
Standaard: Opsomming van alle kenmerken van een ras.
Stokhaar: Het oorspronkelijk haart dat uit dichte ondervacht met middellange dekharen bestaat zoals bij de Duitse Herdershond.
Stop: Overgang van de schedel naar voorsnuit.
Strain: Engelse benaming voor stam (bloedlijn).

Tan: Geel tot roestbruine kleur.
Tanggebit: De snijtanden vallen precies op elkaar.
Teef: Hond van het vrouwelijk geslacht.
Tulpoor: De staande en aan de tippen afgeronde oren.

Vang: Voorsnuit, term die vooral wordt gebruikt bij de jachthonden.
Vieräugler: Honden met een lichte vlek boven ieder oog.
Vleermuisoor: Grote, straffe, hoog opgerichte oorlap met afgeronde punt.